Jonas
droomde van een aardbeving met heel veel lawaai. Het trilde
zo hard dat hij zijn bed voelde schudden. Hij werd in paniek
wakker en keek wild om zich heen. Hij hoorde een vreemd, luid
lawaai van buiten komen. Hij schoot zijn bed uit en klom op
de vensterbank. Hij zag niets vreemd buiten maar hoorde dat
de herrie uit de tuin kwam. Hij keek naar beneden, naar hun
terras en zag niets ...Of
toch?
Hij
bukte zich en herkende zijn beukenvriend aan de buitenkant
van het venster. Gibbel sloeg met alle kracht op het raam
maar dat geluid ging verloren in de herrie. Gibbel was in
paniek en zag wit … Krijtwit.
Jonas
schrok van Gibbel en probeerde zo snel mogelijk het oude venster
open te krijgen. Hij trok en trok en uiteindelijk loste het
slot en schoot het raam open. Hij nam Gibbel in zijn hand
en bracht hem binnen.
"Wat
is er?" vroeg Jonas bezorgd.
Hij
kon zien dat Gibbel helemaal overstuur was.
"Help,
help ... Ons ..." stotterde Gibbel.
Hij
was zo wit dat het leek of hij doorzichtig was. Zijn oogjes
leken grote knikkers met alle kleuren van de regenboog.
"Helpen
met wat? Wat is er gebeurd?" vroeg Jonas gehaast.
"Ze
... Ze ..." Gibbel bleef stotteren terwijl de tranen nu in
riviertjes over zijn gezichtje liepen. Hij snikte en hikte
en stotterde.
"Ze
... Ze ... Hakken onze boom om ..."
"Wat?"
Jonas schrok en kreeg koude rillingen.
"Wie?"
vroeg hij terwijl Gibbel nog steeds hikte en snikte.
"Zij
..." wees Gibbel met zijn kleine vingertje naar het venster.
Nu
pas besefte Jonas dat het lawaai buiten een boomzaag was.
Hij begreep plots dat ze bezig waren de boom af te zagen.
Het leek alsof er een beestje in zijn billen beet, want hij
schoot als een pijl naar de deur. Vlak ervoor draaide hij
terug, grabbelde Gibbel beet en stak hem, terwijl hij naar
beneden vloog, in het zakje van zijn pyjamahemd. Hij schoot
Mama aan de keukentafel voorbij, vergat zijn pantoffels en
rende op zijn blote voeten de tuin in.