De zonderling

De jukebox is al een tijdje stil gevallen en het cafeetje is langzaam leeg gelopen. We zitten nog met een klein groepje vrienden aan de toog onze laatste pint te drinken. In een donker hoekje zit een donkere man in zijn glas te staren. Buiten zijn slappe hoed, een zwarte sjaal en een dikke trui valt er niets speciaals te ontdekken.

De juffer achter de toog volgt mijn blik en schuift dan dicht naar me toe: "Zonderlinge vent, hé. Weer zo'n losgelaten exemplaar..." Ze loert naar de donkere man en fluistert: "Ik moet er niks van hebben. Nen rare tist..."

Dan glimlacht ze eens vriendelijk naar me en knikt naar mijn leeg glas: "Nog iets drinken?"

Ik voel dat mijn lijf de limiet voor vandaag bereikt heeft en schud mijn hoofd. Ze schuift weer op haar kruk en gaat verder met het vijlen van haar roodgelakte nagels.

Net voor we willen opstappen, komt de donkere man naar de toog. Hij blijft op een veilige afstand en gooit een briefje van twintig euro op de toog. De juffer scharrelt het geld snel op en geeft hem z'n wisselgeld met een kort knikje terug. De man raapt zijn geld op en dan valt het me op dat hij een bloedrood litteken dwars over zijn rechter hand heeft. De man ziet mijn starende blik, verstopt zijn hand en rept zich gehaast naar buiten. Als ik toevallig in de spiegel van de glazenkast kijk, zie ik hoe hij nog even spiedend naar binnen loert. De juffer meent ons te moeten inlichten over alles wat er de laatste dagen, bij nacht en ontij aan de hand is. Ze zeurt en zaagt en maakt dat we snel afscheid nemen.

Buiten gaat ieder z'n weg. Samen met mijn bevriende buurman wandel ik in de richting van ons flatgebouw. De weg is donker en verlaten op een wandelend stel in de verte na. Terwijl mijn vriend nog wat onzinnige praat verkoopt, zie ik in de verte hoe de wandelaars lastig gevallen worden door een vreemd figuur. Ik herken de slappe hoed en sjaal. Ik stoot mijn beschonken vriend aan en begin sneller te lopen. Het drietal verdwijnt met getrek en geduw in een donker steegje. De alcohol in mijn bloed doet me alle voorzichtigheid vergeten. Ik zet het op een rennen terwijl mijn vriend zich verwonderd afvraagt wat mij mankeert. Hijgend bereik ik het steegje en begin hard te roepen.

"Hé, gij daar... Wat is dat?"

Een persoon ligt stil op de grond terwijl de zonderling de andere tegen de muur drukt. Hij ziet me verschijnen en zet het op een lopen. Ik ga hem achterna maar moet als snel afhaken. De korte spurt en het bier hebben me de adem afgesneden en ik moet hijgend eerst even bijkomen. Achter me knielt de ene bij de andere neer. Ik draai terug en merk dan pas dat het koppel, twee vrouwen zijn. De ene kruipt kreunend rechtop, de ander huilt tranen met tuiten... Mijn waggelende vriend heeft uiteindelijk het steegje ook gevonden en voelt langzaam de ontnuchtering.

Samen besluiten we het voorval te gaan rapporteren bij de politie. In het bureau is er op dit nachtelijk uur weinig te beleven. Op een paar publieke vrouwtjes en de agenten van dienst na, is de keet leeg. Ze kijken niet vreemd op als de twee snotterende vrouwen aangifte willen doen. Ik doe het hele verhaal van de man met de slappe hoed, de juffer in het café en het steegje. Ondertussen hebben ze al geroken dat we niet nuchter zijn. Hun blik verandert.

Ik hoor de ene tegen de andere zeggen: "Die twee juffrouwkes hebben niks speciaals gezien... en die twee zatten daar, zien alles dubbel..."

Het is duidelijk dat ze een eigen visie hebben op het gebeuren. Ze zien geen verband met de duistere verhalen die de caféjuffer me verteld had. We worden appart gezet en ik moet mijn versie nog een aantal keren herhalen. De alcohol maakt me alleen maar moe, niet verward. En dat frustreert hen. Bij mijn vriend is alle communicatie uitgesloten als ik hem lustig hoor ronken...

De tijd verglijdt en ondertussen komt het commisariaat weer tot leven met de ochtendploeg. Ook de commisaris verschijnt ter plekke. Ik zie hem luisteren naar de agenten van wacht. Ik voel een onaangename rilling over mijn rug lopen en ben plots weer klaarwakker. De commisaris loopt langs me door als hij naar zijn kantoor gaat. Hij keurt me geen blik waardig. Ik ben nieuwsgierig en volg hem met mijn ogen. Net voor de deur dicht valt, zie ik hem zijn jas ophangen, met een hand met een bloedrode litteken.

Gielle-Myr Peunie

jan'88 ….