Jonas was boos. Hij stampte door de tuin alsof hij het gras
plat wilde leggen. Hij was boos. Sinds ze naar hier verhuisd
waren, zat hij opgesloten in dit veel te kleine huis. Hij
mocht niet op straat van Mama. Hij had geen plaats op zijn
kamer om te spelen want die moest hij delen met zijn kleine
zus. En in de tuin was er ook al niets te beleven.
Jonas stampte nog even rond. In de tuin stond een grote, oude
beuk. Mama vond die verschrikkelijk mooi maar hij vond er
maar niets aan. Zijn kruin gaf schaduw aan alle aanpalende
achtertuintjes. Hij was groot en hoog en hij nam bijna het
hele tuintje in beslag. Jonas liep naar de boom. Het was de
schuld van die dikke, oude boom. Als die er niet had gestaan,
waren ze hier niet komen wonen ...
Hij
schopte zo hard hij kon tegen de stam. Zijn dunne schoenen
waren geen partij voor het dikke, harde hout. Hij voelde de
dreun via zijn dikke teen, zijn hele voet binnendringen. De
pijn volgde onmiddellijk.
"Au,
au, au", huilde hij.
Hij
kwam met een plof op zijn achterwerk terecht en nam zijn voet
in zijn handen. Vlug trok hij de schoen uit terwijl de eerste
tranen over zijn wangen bungelden. Zijn teen was flink rood
en deed vreselijk pijn. Nu was hij nog bozer.
"Jij,
jij ..." schreeuwde hij tegen de boom. Hij
wilde nog van alles zeggen maar de woorden bleven in zijn
keel steken. Hij wilde de boom de schuld geven van alles maar
hij zei uiteindelijk alleen: "Stomme boom ..."
Hij
wreef een tijdje over zijn teen tot zijn boosheid wat gezakt
was.
Toen
hoorde hij boven hem iemand gniffelen. Hij keek omhoog maar
zag alleen het zonlicht in kleine, dunne straaltjes door de
bladeren van de kruin kruipen. Hij dacht dat hij het gedroomd
had en keek weer naar zijn teen. Er klonk opnieuw gegiechel
boven hem. Hij tuurde omhoog maar zag nog steeds niemand.
"He,
jij daar. Ik vind het niet leuk dat je me uitlacht en je dan
verstopt", schreeuwde hij boos. Het bleef even stil. Jonas
dacht dat hij het zich allemaal verbeeld had en keek om zich
heen of iemand hem had horen praten tegen de boom. Er was
niemand te zien. En weer hoorde hij iemand giechelen, deze
keer zo luid dat hij er niet meer aan kon twijfelen.
"Hé,
jij daar. Laat je zien als je me wilt uitlachen ..."
Er
verscheen niemand en net toen Jonas de boosheid omhoog voelde
kruipen, dwarrelde er een groot blad vlak voor hem neer. Er
hing een ventje aan. Jonas geloofde zijn ogen niet. Hij zag
het blaadje tot op de grond zakken en het ventje verdween
er onder. Jonas knipperde met zijn ogen. Het blaadje bewoog
en liep om de stam van de boom heen. Jonas stond op en volgde
hinkend het blaadje. Dat liep nog eens naar de andere kant
en Jonas hinkte er achteraan. Er volgde nog een tweede rondje,
een derde rondje en toen werd het Jonas teveel.
"Hé,
jij daar, onder dat blad. Stop nu even ..."
Hij
bleef staan en ook het blaadje stond stil. Heel langzaam kwam
Jonas dichterbij. Hij ging op zijn knieën zitten. ..."